Liturgie van de dienst op zondag 29 maart 2026 om 09:30 uur
Voorganger: ds. M.C. Stehouwer
Lezing: Mattheüs 27: 1 t/m 26
palmzondag, openbare geloofsbelijdenis
De gezangen in deze liturgie worden gezongen uit de liedbundel Weerklank, tenzij anders is aangegeven.
In de belijdenisdienst, zondagmorgen 29 maart, de zesde lijdenszondag, zien we voor alles op Hem die we mogen belijden als onze Heer! Vol verwondering en met diepe dankbaarheid lezen we Mattheüs 27: 1 t/m 26. Op deze manier ging Hij op weg naar het kruis voor allen die Zijn Naam belijden!
Orgelspel
De kerkenraad komt binnen.
Welkom en afkondigingen
Voorzang: Psalm 118
12 Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
Och HEER, geef thans Uw zegeningen;
Och HEER, geef heil op dezen dag;
Och, dat men op deez' eerstelingen
Een rijken oogst van voorspoed zag.
14 Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhogen Uwe majesteit;
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven;
U prijz' ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder 's HEEREN goedheid loven,
Want goed is d' Oppermajesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Tijdens het zingen van Psalm 118 komen de predikant en de ouderling van dienst met de belijdeniscatechisanten binnen.
Stil gebed
Votum & Groet
Wij zingen Psalm 68
10 Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid;
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons 't eeuwig, zalig leven;
Hij kan, èn wil, èn zal in nood,
Zelfs bij het naad'ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
Geloofsbelijdenis Nicea
Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemel en van de aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
En in één Heere Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen; God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet gemaakt, van hetzelfde wezen met de Vader, door Wie alle dingen gemaakt zijn.
Die om ons mensen en om onze zaligheid is neergedaald uit de hemel, en vlees is geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria, en een mens geworden is; ook voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft, en begraven is; en op de derde dag opgestaan is naar de Schriften, en opgevaren is naar de hemel; zit aan de rechterhand van de Vader, en zal wederkomen met heerlijkheid, om te oordelen de levenden en de doden; Wiens rijk geen einde zal hebben.
En in de Heilige Geest, Die Heere is en levend maakt, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, Die gesproken heeft door de profeten.
En één, heilige, algemene en apostolische Kerk.
Ik belijd één doop tot vergeving van de zonden, verwacht de opstanding van de doden, en het leven van de toekomende eeuw. Amen.
Wij zingen: Weerklank lied 439
1 Heer, U bent mijn leven, de grond waarop ik sta.
Heer, U bent mijn weg, de waarheid die mij leidt.
Uw woord is het pad, de weg waarop ik ga,
zolang U mij adem geeft, zolang als ik besta.
Ik zal niet meer vrezen, want U bent bij mij.
Heer, ik bid U, blijf mij nabij.
2 ’k Geloof in U, Heer Jezus, geboren uit de maagd,
eeuw’ge Zoon van God, die mens werd zoals wij.
U die stierf uit liefde, leeft nu onder ons:
één met God de Vader en verenigd met uw volk;
tot de dag gekomen is van uw wederkomst,
dan brengt U ons thuis in Gods rijk.
3 Heer, U bent mijn kracht, de Rots waarop ik bouw.
Heer, U bent mijn waarheid, de vrede van mijn hart.
En niets in dit leven zal ons scheiden, Heer;
zo weet ik mij veilig, want uw hand laat mij nooit los.
Van wat ik misdaan heb, heeft U mij bevrijd
en in uw vergeving leef ik nu.
4 Vader van het leven, ik geloof in U.
Jezus, de Verlosser, wij hopen steeds op U.
Kom hier in ons midden, Geest van liefd’ en kracht,
U die via duizend wegen ons hier samen bracht;
en op duizend wegen zendt U ons weer uit,
om het zaad te zijn van Gods rijk.
We bidden samen om de opening van Gods Woord en de leiding van de Heilige Geest in het lezen en luisteren
Gebed
Schriftlezing Mattheüs 27: 1 t/m 26
1 Toen het ochtend geworden was, kwamen al de overpriesters en de oudsten van het volk met betrekking tot Jezus gezamenlijk tot het besluit Hem te doden.
2 En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder.
3 Toen Judas, die Hem verraden had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilveren penningen bij de overpriesters en de oudsten terug
4 en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien.
5 En nadat hij de zilveren penningen de tempel in gegooid had, vertrok hij. Hij ging heen en hing zich op.
6 De overpriesters pakten de zilveren penningen en zeiden: Het is niet geoorloofd die in de offerkist te leggen, omdat het bloedgeld is.
7 En nadat zij beraadslaagd hadden, kochten zij daarvan de akker van de pottenbakker als begraafplaats voor de vreemdelingen.
8 Daarom wordt die akker tot op de dag van vandaag bloedakker genoemd.
9 Toen is vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van de Geschatte, Die zij geschat hadden uit de Israëlieten,
10 en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij bevolen heeft.
11 Jezus stond voor de stadhouder en de stadhouder vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? Jezus zei tegen hem: U zegt het.
12 En toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13 Toen zei Pilatus tegen Hem: Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen?
14 Maar Hij antwoordde hem op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.
15 Nu had de stadhouder de gewoonte, op het feest voor de menigte een gevangene los te laten, wie zij ook maar wilden.
16 Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Barabbas heette.
17 Toen zij dan bijeenwaren, zei Pilatus tegen hen: Wie wilt u dat ik voor u zal loslaten, Barabbas of Jezus, Die Christus genoemd wordt?
18 Want hij wist dat zij Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
19 Toen hij op de rechterstoel zat, stuurde zijn vrouw hem een boodschap: Laat je toch niet in met deze Rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.
20 Maar de overpriesters en de oudsten haalden de menigte over dat zij om Barabbas zouden vragen en Jezus zouden ombrengen.
21 De stadhouder antwoordde hun en zei: Wie van deze twee wilt u dat ik voor u zal loslaten? Zij zeiden: Barabbas.
22 Pilatus zei tegen hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen tegen hem: Laat Hem gekruisigd worden!
23 Maar de stadhouder zei: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij riepen des te meer: Laat Hem gekruisigd worden!
24 Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water, waste zijn handen voor de ogen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige. U moet maar zien.
25 En heel het volk antwoordde en zei: Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!
26 Toen liet hij Barabbas voor hen los, maar nadat hij Jezus gegeseld had, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
Wij zingen: Psalm 42
1't Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den HEER;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naad'ren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw naam verhogen?
2 'k Heb mijn tranen, onder 't klagen,
Tot mijn spijze, dag en nacht;
Daar mij spotters durven vragen:
"Waar is God, dien gij verwacht?"
Mijn benauwde ziel versmelt,
Als zij zich voor ogen stelt,
Hoe ik onder stem en snaren,
Feest hield met Gods blijde scharen.
3 O mijn ziel, wat buigt g' u neder?
Waartoe zijt g' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust;
Want Gods goedheid zal uw druk
Eens verwiss'len in geluk.
Hoop op God, sla 't oog naar boven;
Want ik zal Zijn naam nog loven.
Verkondiging
Het doen van belijdenis is je doop beantwoorden daarom zingen we deze Psalm die vaak gezongen wordt in een doopdienst en zingt van Gods verbondstrouw.
We zingen Psalm 105: 5
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
Lezing van het formulier voor de openbare belijdenis van het geloof
Gemeente van Jezus Christus,
Enige broeders en zusters verlangen nu in uw midden persoonlijk en openlijk belijdenis van het geloof af te leggen, opdat zij mogen delen in de volle gemeenschap van de Kerk. Zij worden hierdoor tot het Heilig Avondmaal toegelaten en dragen medeverantwoordelijkheid voor de opbouw van de gemeente van Christus.
Wij geloven en belijden dat God in Christus Zijn kinderen vergadert uit alle rassen en volken en hen verenigt tot één lichaam, waarvan Jezus Christus het hoofd is en wij de leden zijn.
In de Heilige Doop wordt ons verklaard en verzegeld, dat wij in Gods genadeverbond opgenomen zijn. Daarom behoren wij als leden van Christus' gemeente gedoopt te wezen. De Heilige Doop is Zijn merk- en veldteken. In het Heilig Avondmaal, waar Christus ons brood en wijn geeft als tekenen en zegelen van Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed, verbindt Hij ons telkens opnieuw tot de waarachtige gemeenschap met Zichzelf en met elkaar. Zo verenigd met Christus, zijn wij geroepen met woord en daad Hem te belijden als Heere en Heiland, en Gods Koninkrijk te verkondigen en te verwachten.
Beantwoording van de vragen; de nieuwe lidmaten ontvangen ieder afzonderlijk Gods zegen.
De kerkenraad heeft, na gevraagd te hebben naar uw geloof en kennis van de waarheid, met vertrouwen en blijdschap in uw voornemen toegestemd. Daarom verzoek ik u, broeders en zusters, die nu belijdenis van het geloof wilt afleggen, op te staan en in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis van de vaderen te antwoorden op de volgende vragen:
In de eerste plaats: Belijdt u te geloven in God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemels en aarde, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere, en in de Heilige Geest?
In de tweede plaats: Aanvaardt u de roeping om, als lidmaat van de gemeente, die God Zich in Christus tot het eeuwige leven verkoren heeft, door Zijn genade tegen de zonde en de duivel te strijden, uw Heiland te volgen in leven en sterven, Hem te belijden voor de mensen en met blijdschap te arbeiden in Zijn Koninkrijk?
In de derde plaats: Wilt u, in de gemeenschap van de algemene, christelijke Kerk, waarvan ook de Hervormde Gemeente te Scherpenzeel binnen de Protestantse Kerk in Nederland een gestalte is, en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en van de sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de Heilige Schrift en naar de u geschonken gaven meewerken aan de opbouw van de gemeente van Christus?
Het antwoord wordt door ieder afzonderlijk gegeven, nadat zijn/haar naam genoemd is.
Daarna knielen zij en krijgen zij de zegen en een persoonlijke belijdenistekst.
Belijdende leden zingen Weerklank lied 441
1 Heer, wijs mij uw weg en leid mij als een kind
dat heel de levensweg slechts in U richting vindt.
Als mij de moed ontbreekt om door te gaan,
troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.
2 Heer, leer mij uw weg, die zuiver is en goed.
Uw woord is onderweg als een lamp voor mijn voet.
Als mij het zicht ontbreekt, het donker is,
leid mij dan op uw weg, de weg die eeuwig is.
3 Heer, leer mij uw wil aanvaarden als een kind
dat blindelings en stil U vertrouwt, vrede vindt.
Als mij de wil ontbreekt uw weg te gaan,
spreek door uw Woord en Geest mijn hart en leven aan.
4 Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend
hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.
Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,
toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Opneming onder de belijdende leden en toelating tot het Heilig Avondmaal
Uit kracht van uw doop en als gevolg van uw persoonlijke belijdenis van het geloof verklaren wij u, in de gemeenschap van de Kerk van Christus, tot belijdende leden van de Protestantse Kerk in Nederlands en nodigen u tot het Heilig Avondmaal.
“De God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.” (1 Pet.5) Amen.
Gemeente zingt de nieuwe belijdende leden toe Psalm 87
4 God zal ze Zelf bevestigen en schragen,
En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
En doen den naam van Sions kind'ren dragen.
5 Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen;
Dan zullen daar de blijde zangers staan,
De speelliên op de harp en cimbel slaan,
En binnen u al mijn fonteinen wezen.
Persoonlijk woord tot belijdende leden
Lezing slot van het formulier – vermaning
Geliefde broeders en zusters in de Heere, nu u door uw belijdenis in alle voorrechten van het lidmaatschap van de Kerk van Christus delen mag, moet u te allen tijde bedenken, dat u medeburgers van de heiligen bent en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is; in Hem wordt u ook mede gebouwd tot een woonstede van God in de Geest.
Gemeente van Jezus Christus, nu u de belijdenis van deze broeders en zusters hebt gehoord (en getuige geweest bent van de doop) en hun toelating tot het Heilig Avondmaal hebt vernomen, bevelen wij hen aan in uw liefde en zorg, als leden, die met ons één zijn in de Heere. Gedenkt de woorden van onze Heere Jezus Christus: “een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt, gelijk Ik u liefgehad heb, dat u ook elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten, dat u discipelen van Mij zijt, indien u liefde hebt onder elkaar.”
Dankgebed, voorbede
Almachtige en getrouwe God, U die beloofd hebt Uw kerk op aarde in stand te zullen houden en die in Uw liefde ook deze broeders en zusters hebt geroepen U te belijden en te dienen, wij bidden U: vermeerder in hen de genade van de Heilige Geest. Opdat zij mogen toenemen in het geloof en trouw mogen blijven in de liefde tot U.
Wil Heere Jezus, grote Herder, ook deze schapen van Uw kudde veilig leiden - en als zij ooit verschrikt mochten worden door verzoeking of vervolging, hun zwakke krachten sterken en hen bewaren, dat zij niet afdwalen.
Behoed hen - en ons allen, opdat wij eenmaal na volbrachte strijd mogen ingaan in de vreugde van Uw Koninkrijk, om met allen die Uw Naam belijden, U te loven en te dienen in heerlijkheid.
Afsluitend bidden we gezamenlijk “Onze Vader”
We zingen Weerklank lied 433
1 Grote God, wij loven U,
Heer, o sterkste aller sterken!
Heel de wereld buigt voor U
en bewondert uwe werken.
Die Gij waart te allen tijd,
blijft Gij ook in eeuwigheid.
2 Alles wat U prijzen kan,
U, de Eeuw’ge, ongeziene,
looft uw liefd’ en zingt ervan.
Alle eng’len, die U dienen,
roepen U nooit lovensmoe:
‘Heilig, heilig, heilig’ toe!
3 Heer, ontferm u over ons,
open uwe vaderarmen,
stort uw zegen over ons,
neem ons op in uw erbarmen.
Eeuwig blijft uw trouw bestaan –
laat ons niet verloren gaan.
Zegen
Orgelspel