Liturgie van de dienst op Eerste Kerstdag 25 december 2025 om 09:30 uur

Voorganger: ds. M.C. Stehouwer

Lezing: Jesaja 7: 1 t/m 17; Mattheüs 1: 18 t/m 25

De gezangen in deze liturgie worden gezongen uit de liedbundel Weerklank, tenzij anders is aangegeven.

Orgelspel

Binnenkomst kerkenraad

Koor Es ist ein Ros entsprungen
Nederlandse vertaling

Er is een roos ontloken uit barre wintergrond,
zoals er was gesproken door der profetenmond.
En Davids oud geslacht is weer opnieuw gaan bloeien
in ’t midden van de nacht.

Die roos van ons verlangen, dat uitverkoren zaad,
is door een maagd ontvangen uit Gods verborgen raad.
Maria was bereid, toen Gabriël haar groette
in ’t midden van de tijd.

Die bloem van Gods behagen heeft, naar Jesaja sprak,
de winterkou verdragen als allerdorste tak.
O roos als bloed zo rood, God komt zijn volk bezoeken
in ’t midden van de dood.

Afkondigingen

Intochtslied: Weerklank Lied 138
1 Wij trekken in een lange stoet op weg naar Bethlehem,
wij gaan uw koning tegemoet, o stad Jeruzalem!
Gezegend die zijn komst begroet en knielen wil voor Hem!
Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer,
Wij loven U, koning en Heer!

2 Al zijt Gij nu nog maar een kind zo kwetsbaar, teer en klein,
wij weten dat het rijk begint waarvan Gij Heer zult zijn,
een rijk waarin de vrede wint van oorlog en van pijn.
Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer,
Wij loven U, koning en Heer!

3 Al gaat de vijand in het rond, de koning van het kwaad,
al dreigt hij met zijn grote mond dat hij U eens verslaat,
straks ligt hij dodelijk gewond wanneer zijn rijk vergaat!
Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer,
Wij loven U, koning en Heer!

4 Wij gaan op weg naar Bethlehem, daar ligt Hij in een stal
die koning in Jeruzalem voor eeuwig wezen zal!
Laat klinken dan met luider stem en blij bazuingeschal:
Wij loven U, koning en Heer, koning en Heer,
Wij loven U, koning en Heer!

Stil gebed

Votum & Groet

Zingen: Psalm 46
4 De HEER', de God der legerscharen,
is met ons, hoedt ons in gevaren.
De HEER' de God van Jakobs zaad,
is ons een burg, een toeverlaat.
Komt, wilt op 's HEEREN daden merken,
aanschouwt des Hoogsten grote werken.
Zijn macht, die nooit te stuiten is,
maakt d' aarde tot een wildernis.

5 God stilt alom het orelogen,
Zijn arm verbreekt de taaie bogen,
doet spies en speer aan stukken slaan
en wagens door het vuur vergaan.
"Laat af", dus spreekt de HEER' der heren:
"Weet, Ik ben God; elk moet Mij eren;
het heidendom, ja, 't gans heelal
verhoge Mij met lofgeschal."

Gebed

Schriftlezingen:
Jesaja 7: 1 t/m 17
1 Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen te voeren, maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen.
2 Toen het huis van David verteld werd: Syrië is neergestreken op Efraïm, beefde zijn hart en het hart van zijn volk, zoals de bomen in het woud beven voor de wind.
3 En de HEERE zei tegen Jesaja: Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld.
4 Zeg dan tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia.
5 Syrië heeft immers kwaad tegen u beraamd, samen met Efraïm en de zoon van Remalia, door te zeggen:
6 Laten wij oprukken tegen Juda, het in angst laten verkeren, het onder ons verdelen en de zoon van Tabeal er als koning over aanstellen in het midden van haar.
7 Zo zegt de Heere HEERE: Dat zal niet bestaan en dat zal niet gebeuren!
8 Want het hoofd van Syrië is Damascus, en het hoofd van Damascus is Rezin. En binnen vijfenzestig jaar zal Efraïm verpletterd worden en niet meer als volk bestaan.
9 Ondertussen zal Samaria het hoofd van Efraïm zijn en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Indien u niet gelooft, voorwaar, u zult geen stand houden.
10 Opnieuw sprak de HEERE tegen Achaz:
11 Vraag voor uzelf een teken van de HEERE, uw God, vraag het beneden in de diepte of boven in de hoogte.
12 Maar Achaz zei: Ik zal het niet vragen en de HEERE niet op de proef stellen.
13 Toen zei hij: Luister toch, huis van David, is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?
14 Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.
15 Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen.
16 Voorzeker, voordat de jongen in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land verlaten zijn, namelijk het land van de twee koningen voor wie u in angst verkeert.
17 De HEERE zal over u, over uw volk en over het huis van uw vader dagen doen komen zoals er niet gekomen zijn vanaf de dag dat Efraïm zich van Juda afscheidde, namelijk de heerschappij van de koning van Assyrië!

Mattheüs 1: 18 t/m 25
18 De geboorte van Jezus Christus was nu als volgt. Terwijl Maria, Zijn moeder, met Jozef in ondertrouw was, bleek zij, nog voordat zij samengekomen waren, zwanger te zijn uit de Heilige Geest.
19 Jozef, haar man, wilde haar onopgemerkt verlaten, omdat hij rechtvaardig was en haar niet in het openbaar te schande wilde maken.
20 Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom en zei: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, bij u te nemen, want wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest;
21 en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
22 Dit alles is geschied opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet, toen hij zei:
23 Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons.
24 Toen Jozef uit de slaap ontwaakt was, deed hij zoals de engel van de Heere hem bevolen had, en hij nam zijn vrouw bij zich;
25 en hij had geen gemeenschap met haar totdat zij haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en hij gaf Hem de naam Jezus.

Zingen: Weerklank Lied 113
1 O kom, o kom, Immanuël, verlos uw volk, uw Israël,
herstel het van ellende weer, zodat het looft uw naam, o Heer!
Wees blij, wees blij, o Israël! Hij is nabij, Immanuël!

2 O kom, Gij wortel Isaï, verlos ons van de tirannie,
van alle goden dezer eeuw, o Herder, sla de boze leeuw.
Wees blij, wees blij, o Israël! Hij is nabij, Immanuël!

3 O kom, o kom, Gij Oriënt, en maak uw licht alom bekend;
verjaag de nacht van nood en dood, wij groeten reeds uw morgenrood.
Wees blij, wees blij, o Israël! Hij is nabij, Immanuël!

4 O kom, Gij sleutel Davids, kom en open ons het heiligdom;
dat wij betreden uwe poort, Jeruzalem, o vredesoord!
Wees blij, wees blij, o Israël! Hij is nabij, Immanuël!

5 O kom, die onze Heerser zijt, in wolk en vuur en majesteit.
O Adonai die spreekt met macht, verbreek het duister van de nacht.
Wees blij, wees blij, o Israël! Hij is nabij, Immanuël!

Verkondiging

Zingen: Weerklank 122
1 Heerlijk klonk het lied der eng’len in het veld van Efratha:
‘Ere zij God in de hoge, loof de Heer, halleluja!’
Vrede zal op aarde dagen, God heeft in de mens behagen;
zalig, die naar vrede vragen; Jezus geeft die. Hoor zijn stem.

2 Jezus kwam op aarde neder, als een kindje, klein en teer;
maar, hoe arm Hij toen mocht wezen, Hij was aller Hoofd en Heer.
Vrede zal op aarde dagen, God heeft in de mens behagen;
zalig, die naar vrede vragen; Jezus geeft die. Hoor zijn stem.

3 In een kribbe lag Hij neder, weldra werd een kruis zijn troon;
ja, om zondaars te verlossen, droeg Hij spot en smaad en hoon.
Vrede zal op aarde dagen, God heeft in de mens behagen;
zalig, die naar vrede vragen; Jezus geeft die. Hoor zijn stem.

4 Leer ons bij uw kribbe buigen, leer ons knielen bij uw kruis;
leer ons in uw naam geloven, neem ons eens in ’t vaderhuis.
Vrede zal op aarde dagen, God heeft in de mens behagen;
zalig, die naar vrede vragen; Jezus geeft die. Hoor zijn stem.

Geloofsbelijdenis van Nicea

Zingen: Psalm 98: 1 en 2
1 Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE,
Die grote God, Die wond’ren deed!
Zijn rechterhand vol sterkt' en ere,
Zijn heilig' arm, wrocht heil na leed.
Dat heil heeft God nu doen verkonden,
nu heeft Hij Zijn gerechtigheid,
zo vlekkeloos en ongeschonden.
voor 't heidendom ten toon gespreid.

2 Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt.
Dit slaan al 's aardrijks einden gade,
nu onze God Zijn heil ons schenkt.
Juich dan de HEER' met blijde galmen,
gij ganse wereld, juich van vreugd!
Zing vrolijk in verheven psalmen
het heil, dat d' aard' in 't rond verheugt.

Dankgebed en voorbede

Zingen: Weerklank Lied 118
Ere zij God, ere zij God
in de hoge, in de hoge, in de hoge.
Vrede op aarde, vrede op aarde
in de mensen een welbehagen.
Ere zij God in de hoge,
ere zij God in de hoge.
Vrede op aarde, vrede op aarde,
vrede op aarde, vrede op aarde,
in de mensen, in de mensen een welbehagen,
in de mensen een welbehagen, een welbehagen.
Ere zij God, ere zij God
in de hoge, in de hoge, in de hoge.
Vrede op aarde, vrede op aarde
in de mensen een welbehagen.
Amen, amen.

Zegen

Koor zingt bij verlaten kerk:
Hoor, de engelen zingen d'eer van de nieuw geboren Heer!
Vrede op aarde, ’t is vervuld: God verzoent der mensen schuld.
Voeg u, volken, in het koor, dat weerklinkt de hemel door,
zing met algemene stem voor het kind van Bethlehem!
Hoor, de eng’len zingen d’ eer van de nieuwgeboren Heer!

Hij, die heerst op ’s hemels troon, Heere Christus, Vaders Zoon,
wordt geboren uit een maagd op de tijd die God behaagt.
Zonne der gerechtigheid, woord dat vlees geworden zijt,
tussen alle mensen in in het menselijk gezin.
Hoor, de eng’len zingen d’ eer van de nieuwgeboren Heer!

Lof aan U die eeuwig leeft en op aarde vrede geeft,
Gij die ons geworden zijt taal en teken in de tijd,
al uw glorie legt Gij af ons tot redding uit het graf,
dat wij ongerept en rein nieuwgeboren zouden zijn.
Hoor, de eng’len zingen d’ eer van de nieuwgeboren Heer!


Naar het overzicht van de kerkdiensten